Een tijdje geleden, nadat ik een lezing had gegeven over de geschiedenis van de Dordtse letteren, zei een kennis: ‘Je bent net de Maarten van Rossem van Dordrecht’. Aardig bedoeld, al was het een beetje een gemakkelijk compliment, want het is algemeen bekend dat ik, in een heel grijs verleden aan de Universiteit Utrecht bij Maarten ben afgestudeerd. Dat was in de tijd dat hij nog niet bekend was uit de media, dus van voor de eerste Amerikaanse inval in Irak, maar al wel een populair docent vanwege de kwaliteit van zijn colleges en zijn humor.

Er zijn wel wat dingen die Maarten en ik gemeen hebben. Hij is dol op pepermunt en het toeval wil dat ik dat ook ben. Hij had tijdens zijn colleges de neiging om regelmatig een ‘zijstraat’ in te slaan en op prettige wijze af te dwalen van zijn onderwerp, om daar vervolgens weer feilloos op terug te komen. Die neiging had ik, toen ik nog in het onderwijs zat, in mijn lessen ook, al wilde ik weleens hopeloos verdwalen. Dan begonnen we bij wijze van spreken met de moord op de gebroeders De Witt en eindigden we tenslotte in een hangmat, ergens in het oerwoud van Suriname.

Evenals Maarten vind ik dat een college of lezing enige humor moet bevatten. Er moet minstens drie keer een glimlach op het gezicht van de toehoorders komen, dat houdt het levendig en de mensen bij de les, om maar eens een zeugma te gebruiken. Als er nu en dan in mijn lessen flink werd gelachen, leverde dat meestal betere resultaten op tijdens de toets.

Wat ik met Maarten, die over enkele weken zijn tachtigste verjaardag viert, ook gemeen heb is dat ik net als hij kritisch sta tegenover zogenaamd inclusief taalgebruik. ‘Dat is grotendeels modieuze onzin’, zei hij vannacht in een gesprek op Radio1 en daarin kan ik tot op behoorlijke hoogte meegaan. Natuurlijk, de maatschappij verandert, het taalgebruik verandert mee, maar zoals gebruikelijk slaan wij in Nederland weer ontzettend door in het achternalopen van allerlei bewegingen uit de VS, zonder stil te staan bij het feit dat de Nederlandse samenleving essentieel verschilt van die in de Verenigde Staten.

Toch zie ik me niet direct als de Maarten van Rossem van Dordrecht. Anders dan mijn zeer gewaardeerde leermeester ben ik als historicus voorzichtig met het doen van uitspraken over de toekomst. Je kunt vanuit het verleden veronderstellen dat sommige dingen op een bepaalde manier zullen gaan, maar dat is lang niet altijd zeker. Zo kan ik makkelijk voorspellen dat de plannen voor een nieuwe woonwijk in de Spoorzone, zoals ze er nu uitzien, zullen leiden tot een financiƫle en bouwkundige ramp waar men nog tientallen jaren spijt van heeft, maar ik realiseer me dat die gedachte vooral is ingegeven door mijn, ik geef het toe, irrationele afschuw van hoogbouw.

Een ander verschil met Maarten is dat ik weinig op heb met spelletjes als quizzen. Al die weetjes! Dat je slim bent als je kunt ophoesten dat het haringkaken is uitgevonden in het Zeeuws-Vlaamse Biervliet. Big deal! Hij heeft er wel, vertelde hij gisteren op de radio, de kans door gekregen om het programma ‘Hier zijn de Van Rossems’ te maken. Onder meer over Dordrecht, waarvan ik bijzonder heb genoten.

Foto: archief Kees Klok