Gisteren ben ik vroeg opgestaan omdat ik een groep toeristen uit de Engels sprekende wereld moest rondleiden door de stad. Vroeg opstaan is geen probleem. Ik ben een ochtendmens. Jammer alleen dat het om kwart over zes nog donker is. Vervelend is dat het ook ‘s avonds al vroeg donker wordt. Dat hebben we te danken aan de dwaasheid die zomer- en wintertijd heet. Het was druilerig waterkoud weer, maar mijn groep was vrolijk gestemd en aangenaam belangstellend naar de geschiedenis en schoonheid van de stad.
Omdat ik mijn gasten de fraaiste kanten van Dordrecht wil laten zien, mijd ik doorgaans een plek als de Grote Markt, het lelijkste plein van West-Europa, hoewel daar toch een interessant historisch verhaal aan te koppelen is. Ook de Sarisgang is bij mij niet favoriet, maar soms moet je er weleens door als gasten op zoek zijn naar een geldautomaat. De nabije tuin tussen de Kunstkerk en De Witt, alsmede de Hofstraat zijn dan weer echte parels, al vertel ik er wel altijd bij dat de helft van de Hofstraat is gefotoshopt.
Wat ik niet vertel aan mijn gasten, maar wat ik nog niet ben vergeten, is de heisa die een aantal omwonenden maakte tegen de komst van De Witt, het terras daar en de tuin van Piet Oudolf. De stad mag zich gelukkig prijzen dat het er uiteindelijk toch van is gekomen. Bezwaar makende binnenstadbewoners, tegen van alles en nog wat, zijn rijkelijk gezaaid in Dordrecht en hoewel ik het argument ‘dan moet je maar niet in de binnenstad gaan wonen als je geen reuring wil’ klinkklare onzin vind, want ook binnenstadbewoners hebben recht op prettig wonen, wordt er aan de andere kant soms wel erg veel doorgedramd en gezeurd. Nu weer een stel dat tegen de drankvergunning van Huis Roodenburch is, met het flinterdunne argument dat ze op het ogenblik geen last hebben, maar dat in het geval het huidige concept niet zou werken er misschien wel eens een wijnbar of een restaurant zou kunnen komen. Alsof iemand na een geschiedenis van tien jaar bezwaren en rechtszaken rond dat pand zo krankzinnig zou zijn om daar weer aan te beginnen.
Foto: Kees Klok









